ELKOST International Literary Agency

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Van Moskou moet je leren houden (on Khadijah) - nrc.nl, 19/07/11 (in Dutch)

E-mail Print PDF

http://www.nrc.nl/boeken/2011/07/19/van-moskou-moet-je-leren-houden/

Marina Akhmedova, Khadeeja

Van Moskou moet je leren houden

Michel Krielaars sprak met schrijster Marina Achmedova in Moskou. Zij begon in deze stad als vertaalster van Britse detectiveboeken en langzaam heeft ze haar stad veroverd. “Je kunt nooit meteen van haar houden. Dat gebeurt pas na een tijdje, als je je niet meer zo klein voelt tussen al die grote huizen.”

Marina Achmedova heeft de mooiste ogen van Moskou. En met die ogen kijkt ze op een originele manier naar haar stad. Niet dat ze er geboren is. Nee, ze kwam er voor het eerst elf jaar geleden. Maar ze is er niet meer weggegaan.

Achmedova woonde tot haar twintigste in Machatsjkala, de provinciaalse hoofdstad van de autonome republiek Dagestan, op de Noordelijke Kaukasus. En ook daar is ze niet geboren, want ze komt uit het Siberische Tomsk, waar haar Dagestaanse ouders voor haar geboorte naartoe waren verhuisd. Pas toen ze acht was, keerde het gezin naar Dagestan terug, omdat haar vader wilde dat zijn drie dochters met Dagestaanse mannen zouden trouwen.

Achmedova wilde zo’n man niet. En het geluk was met haar. Toen na haar afstuderen als lerares buitenlandse literatuur de terreuraanslagen in Dagestan begonnen, vertrok haar vader met het hele gezin naar Moskou. Daar werd ze een bekende journaliste en schrijfster van romans en toneelstukken, die zich afspelen in Dagestan en Tsjetsjenië.

Tijdens ons gesprek, op straat, ligt Achmedova in een groene hangmat, gespannen op een metalen frame. We zijn op de binnenplaats van Vinzavod, een voormalige wijnfabriek, die is verbouwd tot expositiecentrum. „Hoe is het toch mogelijk om in deze drukke stad zo te liggen”, zegt ze, terwijl ze naar de hemel kijkt. „Dat kan alleen hier. Elders in de stad is het onmogelijk. En het is hier zo prettig stil.”

Ze vertelt over haar eenkamerappartement, op de eerste verdieping van een gebouw aan de rand van het centrum, om de hoek bij metrohalte 1905. „Het heeft een groot raam. En voor dat raam heb ik een groot bed gezet, dat de halve kamer in beslag neemt. Als het raam open staat, hoor ik de auto’s en het geluid van de mensen die uit de metro komen. En dan heb ik het gevoel dat ik op straat slaap. Dat is heerlijk.”

Toen ze voor het eerst in Moskou kwam, was ze bang voor die immense stad met zijn dreigende gebouwen. In de loop der jaren verdween die angst. „Ik ontdekte dat Moskou drie verschillende gezichten heeft. Als je uit een kleine stad komt, zoals ik, moet je eerst enorm wennen. Maar na een tijdje herken je de dingen en ben je niet meer bang. Dan zie je het tweede gezicht. Het derde heb ik pas kortgeleden ontdekt. Het was een bekend gezicht, als van een dierbaar familielid, dat je altijd al je stommiteiten vergeeft.”

Moskou heeft haar veel gegeven. En daar is ze de stad dankbaar voor. „Ik was twee weken geleden in Chicago en daar vond ik het geweldig. De winkels waren mooi, de mensen leuk. Maar toen ik terugvloog was ik toch heel blij. Moskou is mijn huis. Hetzelfde had ik afgelopen winter, toen ik in Italië met vakantie was. Op de televisie zag ik toen dat in Moskou de bomen door een ijsregen waren bevroren. Ik moest er zo van huilen, dat ik meteen ben teruggegaan, zo’n pijn deed het me.”

De stad leerde haar ook iets, waardoor ze haar boeken kon schrijven. „Als een waterlelie zon krijgt, dan gaat hij open. Ik voelde me zo’n waterlelie. En Moskou was de zon, die me de mogelijkheid gaf om mezelf te zien.”

Toen ze net in Moskou woonde, vertaalde ze Britse detectives, zoals die van Ruth Rendell. Vervolgens belandde ze als vertaalster bij een kleine krant. Daar vroegen ze haar op een dag een kleine reportage te schrijven. „Ik zweette erop als Flaubert op zijn romans. Maar ze waren heel tevreden en vroegen me het vaker te doen. Voor die tijd had ik nooit gedacht dat ik journaliste zou worden, net zoals ik nooit gedacht had dat ik schrijfster zou worden.”

Maar zoals in ieder goed huwelijk ergert Achmedova zich soms ook behoorlijk aan haar grote liefde. „Ik stoor me eraan dat mensen, als ze uit de metro komen, altijd over mijn binnenplaats lopen, omdat ze dan twee minuten eerder in de hoofdstraat zijn. Die binnenplaats staat al vol auto’s en met die mensen erbij is het alsof het er wemelt van de voorgeprogrammeerde mussen.”

Tijdens ons gesprek wordt ze voortdurend gebeld door vrienden en kennissen die haar enkele weken eerder verschenen roman Het Huis van de Blinden hebben gelezen. Hij gaat over een zelfmoordterroriste in Dagestan. Ze staat op uit de hangmat en loopt naar een muur vol graffiti, een eindje verderop. Bij een vuilcontainer houdt ze stil. „Ik stel eerlijk gezegd geen speciale eisen aan een favoriete plek”, zegt ze. „Maar deze plek is mooi, omdat er zoveel details zijn. Ik let daar altijd op. Details zijn er in Moskou heel veel.

„En er bestaan natuurlijk ook onaangename plekken, zoals het metrostation Oktober. Daar heb ik het uitgemaakt met een geliefde. Nare herinneringen zorgen ervoor dat je niet teruggaat naar zo’n plek.”

In Moskou voelt Achmedova het leven als nergens anders, ook omdat er zoveel verschillende mensen wonen. „Ik hou me er niet zozeer mee bezig dat er zoveel nationaliteiten zijn”, zegt ze. „Maar als ’s winters ’s ochtends vroeg een sneeuwruimer voor mijn deur in het Tadzjieks begint te zingen, geniet ik.”

Met de metro gaan we naar het Poesjkinplein. We gaan onder de Tverstraat door en komen in de Malaja-Bronnajastraat. Hier begint de favoriete route van Marina. Die strekt strekt zich uit over enkele honderden meters door het oudste deel van Moskou, waar Sovjet-nieuwbouw de achttiende- en negentiende-eeuwse huizen afwisselt. Bij de McDonald’s houdt ze stil. „Aan het eind van deze straat, in de Granaatsteeg, woont een goede vriendin van me. De route ernaartoe is er een vol ergernis en vreugde.
„Bij de McDonald’s staat altijd een menigte op straat te eten. Je kunt er niet lopen zoals je wilt. Maar als je er voorbij bent, kom je bij een chique supermarkt. Ik koop daar dan haring en wat zoets voor mijn vriendin en voel me even rijk. Weer een eindje verderop, aan de overkant van de straat is de synagoge, waar ik altijd even naar binnenga om te bidden, hoewel ik christen ben. En twintig meter daarna beginnen de ergernissen opnieuw, bij het dure café Aist, waar de patserige auto’s van de klanten op de stoep staan geparkeerd. Bij McDonald’s maak ik ruzie omdat de klanten er de stoep blokkeren met hun hamburgers, terwijl ik bij Aist ruzie maak met de rijken, die de stoep blokkeren met hun bolides. En in de meters tussen die twee uitersten voel ik mezelf rijk bij die supermarkt.”

De Malaja Bronnaja is een allegaartje van bouwstijlen, mooi en lelijk staan er door elkaar heen. Je hoeft niet van een straat te houden omdat er een mooi huis staat, zegt ze. „Maar wel omdat je er aangename herinneringen aan hebt. Je hebt er bijvoorbeeld je kindertijd doorgebracht of er op school gezeten. Een straat wordt ook van jou als je er vaak doorheen loopt. Zo droom ik regelmatig dat ik als klein kind in Machatsjkala naar school ga en alles er mooi is.”

Met Moskou is het anders. Die stad moet je langzaam veroveren. Maar dan krijg je ook waar je om vraagt. „Je kunt nooit meteen van haar houden. Dat gebeurt pas na een tijdje, als je je niet meer zo klein voelt tussen al die grote huizen. Ik voel mezelf inmiddels heel groot en vind de stad klein.”